Met Personal Communications wordt tevens een aantal hulpprogramma's meegeleverd. Enkele hiervan worden in dit hoofdstuk beschreven.
ODBC is een programmeerinterface waarmee toepassingen toegang kunnen krijgen tot systemen voor gegevensbeheer die gebruikmaken van SQL (Structured Query Language) als standaardtaal voor het lezen en bewerken van de gegevens.
Volg de onderstaande stappen voor de configuratie van de ODBC-gegevensbron voor Personal Communications:
U moet wellicht ook een definitie van een lokale LU 6.2 opnemen.
Raadpleeg voor meer informatie over bewerkingen voor SNA-knooppunten de handleiding Administrator's Guide and Reference.
Hier volgt een voorbeeld van een ACG-bestand:
NODE=(
ANYNET_SUPPORT=ANYNET_SUPPORTED
CP_ALIAS=YOURALIAS
DEFAULT_PREFERENCE=NATIVE
DISCOVERY_SUPPORT=DISCOVERY_CLIENT
FQ_CP_NAME=YOUR.CPNAME * <---- Wijzig CP-naam
NODE_ID=05D00000
NODE_TYPE=END_NODE
REGISTER_WITH_CDS=1
REGISTER_WITH_NN=1
)
PORT=(
PORT_NAME=LAN0_04
DLC_DATA=00000000000004
DLC_NAME=LAN
IMPLICIT_CP_CP_SESS_SUPPORT=1
IMPLICIT_DEACT_TIMER=0
IMPLICIT_DSPU_SERVICES=NONE
IMPLICIT_HPR_SUPPORT=1
IMPLICIT_LIMITED_RESOURCE=NO
LINK_STATION_ROLE=NEGOTIABLE
MAX_IFRM_RCVD=8
MAX_RCV_BTU_SIZE=32767
PORT_TYPE=SATF
PORT_LAN_SPECIFIC_DATA=(
ACK_DELAY=100
ACK_TIMEOUT=3000
ADAPTER_NUMBER=0
BUSY_STATE_TIMEOUT=60
IDLE_STATE_TIMEOUT=30
LOCAL_SAP=04
MAX_RETRY=10
OUTSTANDING_TRANSMITS=16
POLL_TIMEOUT=3000
POOL_SIZE=16
REJECT_RESPONSE_TIMEOUT=30
TEST_RETRY_INTERVAL=8
TEST_RETRY_LIMIT=5
XID_RETRY_INTERVAL=8
XID_RETRY_LIMIT=5
)
)
LINK_STATION=(
LS_NAME=LINKMVS
ACTIVATE_AT_STARTUP=1
ADJACENT_NODE_TYPE=APPN_NODE
AUTO_ACTIVATE_SUPPORT=0
CP_CP_SESS_SUPPORT=1
DEFAULT_NN_SERVER=0
DEST_ADDRESS=40000000000000 * <---- Wijzig bestemming
DISABLE_REMOTE_ACT=0
DSPU_SERVICES=NONE
ETHERNET_FORMAT=0
HPR_SUPPORT=0
LIMITED_RESOURCE=NO
LINK_DEACT_TIMER=0
LINK_STATION_ROLE=USE_ADAPTER_DEFAULTS
MAX_IFRM_RCVD=0
MAX_SEND_BTU_SIZE=32767
NODE_ID=05D00000
PORT_NAME=LAN0_04
SOLICIT_SSCP_SESSION=0
TARGET_PACING_COUNT=1
TG_NUMBER=0
USE_DEFAULT_TG_CHARS=1
)
DLUR_DEFAULTS=(
DEFAULT_PU_NAME=YOURALIAS * <---- Wijzig uw naam
DLUS_RETRY_LIMIT=3
DLUS_RETRY_TIMEOUT=5
)
LOCAL_LU=(
LU_NAME=LUNAME * <---- Wijzig LU-naam
LU_ALIAS=LUALIAS * <---- Wijzig LU-alias
LU_SESSION_LIMIT=0
NAU_ADDRESS=0
ROUTE_TO_CLIENT=0
DEFAULT_POOL=0
)
.
.
.
PARTNER_LU=(
FQ_PLU_NAME=PARTNER.LUNAME * <---- Wijzig Partnergegevens
CONV_SECURITY_VERIFICATION=1
MAX_MC_LL_SEND_SIZE=32767
PARALLEL_SESSION_SUPPORT=1
PARTNER_LU_ALIAS=RBNAME * <---- Wijzig Locatie/RDBNAME
PREFERENCE=USE_DEFAULT_PREFERENCE
)
CPIC_SIDE_INFO=(
SYM_DEST_NAME=DB2CPIC * <---- Nodig voor ODBC-configuratie
CONVERSATION_SECURITY_TYPE=NONE
MODE_NAME=IBMRDB
PARTNER_LU_NAME=USIBMNM.NM57DB21 * <---- Wijzig Partnergegevens
TP_NAME=DB2DRDA * <---- Wijzig TP-naam (via DB2)
TP_NAME_TYPE=APPLICATION_TP
)
VERIFY=(
CFG_MODIFICATION_LEVEL=13
CFG_VERSION_LEVEL=1
)
Met de functie Databasetoegang kunt u toegang krijgen tot host- en PC-databases en gegevens ophalen met behulp van ODBC-stuurprogramma's. Als u per venster de voorwaarden voor gegevenstoegang opgeeft, kan de gewenste query automatisch worden gemaakt.
Met behulp van de functie Databasetoegang kunt u:
Voordat u Databasetoegang gebruikt, is het raadzaam om de Help-informatie te lezen over:
Met behulp van CM Mouse kunnen gebruikers van hosttoepassingen met eenvoudige muisbewerkingen hostfuncties uitvoeren. Als u met een CM Mouse op een hotspot in het hostscherm klikt, wordt er in de hosttoepassing een functie uitgevoerd die afhangt van de context. Hotspots zijn geen vaste functies op vaste plaatsen, maar veranderen dynamisch voor de verschillende vensters van een hosttoepassing.
De voorgrondmenu's van CM Mouse bieden u rechtstreeks toegang tot een lijst met opties en functies die u op eenvoudige wijze met de muis kunt uitvoeren. Met behulp van de menu's kunt u eenvoudig opdrachten kiezen en veelgebruikte handelingen automatiseren. Met de CM Mouse-editor voor voorgrondmenu's kunt u snel en gemakkelijk de menu's aanpassen aan uw wensen en nieuwe menu's maken.
De scripttaal van CM Mouse is krachtig genoeg om ingewikkelde hostbewerkingen te automatiseren, maar zo eenvoudig dat ook nieuwe gebruikers er direct mee kunnen werken.
Raadpleeg de publicatie CM Mouse Support User's Guide and Reference voor meer informatie.
Met deze functie kunt u items verwijderen van de menubalk van het sessievenster van Personal Communications. De wijzigingen hebben alleen betrekking op de huidige sessie, zodat u in elke sessie andere wijzigingen kunt aanbrengen. U kunt drie soorten items verwijderen:
De wijzigingen van de menubalk worden opgeslagen in het opgegeven werkstationprofiel en worden de eerstvolgende keer dat u de sessie start actief.
Met het batchprogramma van Personal Communications kunt u meerdere hostsessies starten met behulp van één pictogram. De benodigde opdrachten worden opgegeven in een batchbestand (BCH-bestand). In een batchbestand kunt u andere programma's opnemen, die met behulp van de DDE- of EHLLAPI-interface met een hostsessie kunnen communiceren.
ZipPrint is een 3270-functie waarmee u memo's, agenda's en documenten van PROFS of OfficeVision en CMS-bestanden, XEDIT-werkruimten en 3270-sessieschermen kunt afdrukken. Standaard wordt de voor de hostsessie ingestelde Windows-printer gebruikt, maar u kunt desgewenst een andere printer opgeven.
U hoeft ZipPrint niet te installeren. U kunt ZipPrint meteen starten. Het programma wordt automatisch toegevoegd aan de menubalk van de sessies waarvoor het is gedefinieerd, zodat u het op dezelfde manier kunt gebruiken als alle andere menuopties. U moet ZipPrint starten voordat u de sessie start waarin u dit hulpprogramma wilt gebruiken.
ZipPrint heeft de DDE/EHLLAPI nodig. U moet er daarom voor zorgen dat de DDE/EHLLAPI geactiveerd is voor de sessies waarin u ZipPrint wilt gebruiken. (De DDE/EHLLAPI is standaard geactiveerd, maar kan zijn uitgeschakeld.)
Zie ZipPrint (3270-emulatie) voor meer informatie over ZipPrint.
ZipPrint gebruikt de functie voor bestandsoverdracht van Personal Communications voor het afdrukken van VM/CMS-berichten en -bestanden. Om deze functie correct te laten werken, moet u voor 3270-bestandsoverdracht het hosttype VM/CMS selecteren.
In het emulatorsessievenster doet u dit via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Overdracht. Op de pagina Instellingen Bestandsoverdracht -> Algemeen selecteert u VM/CMS in de vervolgkeuzelijst Hosttype.
Op trage communicatielijnen, zoals bepaalde IBM Global Network- of Home3270-verbindingen, of bij gebruik van een grote pakket- of blokgrootte kan er een time-out optreden bij de bestandsoverdracht. In dat geval dient u de timeoutwaarde te verhogen. U wijzigt de timeoutwaarde als volgt:
Met het hulpprogramma Macro converteren kunt u een bestaand macrobestand van Personal Communications converteren naar een XML- of een VBScript-bestand.
Als u het conversieprogramma wilt gebruiken, klikt u op IBM Personal Communications -> Hulpprogramma's -> Macro converteren.
Ga als volgt te werk om een bestaande macro te converteren naar XML of VBScript:
U kunt PC Organizer gebruiken om DOS-opdrachten en -toepassingen of Windows-toepassingen vanuit een 5250-beeldstationsessie uit te voeren.
Voordat u PC Organizer kunt gebruiken, moet een van de volgende programma's op het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem zijn geïnstalleerd:
Voer de volgende stappen uit om PC Organizer te starten:
STRPCO PCTA(*NO)
U kunt nu de functies van de PC Organizer in een 5250-beeldstationsessie gebruiken als u een van de volgende methoden kiest:
Om het menu van PC Support/400 of iSeries Access voor Windows Organizer af te beelden, typt u:
GO PCOMNUOm de functies van PC Organizer te starten, typt u:
STRPCCMDAls u een opdracht of een programma op een werkstation uitvoert, kunt u een bericht ontvangen dat het programma PCO.EXE niet actief is. U kunt dit bericht negeren, omdat het voor PC400 niet noodzakelijk is dat PCO.EXE actief is.
U kunt het sleutelwoord STRPCCMD_PAUSE in het WS-profiel gebruiken om de wachttijd te bepalen nadat u met STRPCCMD een opdracht hebt opgeven. Voor het sleutelwoord kunt u de waarde Y (Ja) of N (Nee) opgeven.
Als de functie STRPCCMD_PAUSE niet is ingeschakeld (de waarde is N), verwerkt PC5250 de opdracht STRPCCMD op de onderstaande wijze. Dit is de standaardprocedure.
Als de functie STRPCCMD_PAUSE is ingeschakeld, zet PC5250 de gegeven opdracht STRPCCMD om naar een DOS-opdracht of Windows-toepassing PC5250 wacht totdat de opdracht/toepassing is voltooid voordat aan de iSeries-, eServer i5- of System i5-host wordt meegedeeld dat de taak is uitgevoerd.
Raadpleeg de online Help voor meer informatie over het gebruik van PC Organizer.
Selecteer de gewenste onderwerpen in de lijst om informatie af te beelden over het starten en gebruiken van PC Organizer, over het menu en over de verschillen tussen PC Organizer voor PC400 en voor PC Support/400.
Met de functie voor gegevensoverdracht van Personal Communications kunt u gegevens uitwisselen tussen een iSeries-systeem en uw werkstation. Als u deze functie wilt gebruiken, klikt u op het pictogram Gegevensoverdracht.
Het overbrengen van gegevens verschilt sterk van het overbrengen van bestanden. Informatie over bestandsoverdracht vindt u in Bestanden overbrengen.
Voordat gegevens met behulp van Personal Communications kunnen worden overgebracht, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
Er zijn twee typen gegevensoverdracht die verband houden met de richting van de overdracht.
Bij de ontvangst van gegevens van de host kunt u opgeven welke gegevens u wilt ontvangen en wat de bestemming van deze gegevens moet zijn.
U kunt de volgende gegevens ontvangen:
U kunt de volgende bestemmingen opgeven:
Daarnaast kunt u voor numerieke gegevens een indeling opgeven.
Raadpleeg voor meer informatie over gegevensoverdracht de handleiding Emulator User's Reference.
Met Personal Communications kunt u voor het bewerken van teksten beschikken over de verbeterde functies van Text Assist, die deel uitmaken van de tekstverwerkingsfuncties van OfficeVision/400. U kunt hiermee documenten en korte berichten maken of bewerken.
U start Text Assist door WRKDUC te typen op de opdrachtregel van een 5250-systeem.
Raadpleeg de documentatie van OfficeVision/400 voor meer informatie over het gebruik van Text Assist.
De functie Text Assist in Personal Communications is een Controller Text Assist. Deze verschilt in een aantal opzichten van PC Text Assist, die beschikbaar is als voorziening voor PC Support/400-werkstations.
Controller Text Assist in Personal Communications bevat de volgende functies die niet beschikbaar zijn bij PC Text Assist:
In Controller Text Assist in Personal Communications is echter de functie voor bewerkingen in meerdere kolommen van PC Text Assist niet beschikbaar.
Als u in het programma OfficeVision/400 met behulp van de cursor een lijn trekt, is de stand Invoegen niet beschikbaar.
Om de functies van Text Assist te kunnen gebruiken, moet op het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem een van de volgende programma's zijn geïnstalleerd:
Hier volgt een overzicht van toetsfuncties van OfficeVision/400 Text Assist:
| Functie | Beschrijving |
|---|---|
| Naar begin regel | Verplaatst de cursor naar het begin van de regel |
| Begin vet | Begin gebruik vette tekens |
| Naar einde pagina | Verplaatst de cursor naar het einde van de pagina |
| Terugloop | Beëindigt een regel tekst of een alinea door een terugloop in te voegen |
| Tekst centreren | Centreert een regel tekst |
| Naar einde regel | Verplaatst de cursor naar het einde van de regel |
| Einde pagina | Voegt de stuurcode pagina-einde in op de positie van de cursor |
| Einde vet/onderstrepen | Beëindigt het gebruik van vette of onderstreepte tekens |
| Halve regel omlaag | Begint met subscript of beëindigt superscript |
| Halve regel omhoog | Begint met superscript of beëindigt subscript |
| Symbool invoegen | Beeldt een menu met speciale tekens af |
| Stuurcodes afbeelden | Beeldt de verborgen stuurcodes af |
| Volgende kolom | Voegt de instructie volgende kolom in op de positie van de cursor |
| Naar volgende stopcode | Verplaatst de cursor naar de volgende stopcode |
| Vaste spatie terug | Verplaatst de cursor een spatie naar links |
| Vaste spatie | Voegt een vaste spatie in om woorden op een regel bijeen te houden |
| Vaste tab | Laat een tekstblok inspringen |
| Stopcode | Voegt een stopcode in op de positie van de cursor |
| Naar begin pagina | Verplaatst de cursor naar het begin van de pagina |
| Begin onderstrepen | Begint met onderstrepen van de tekst |
| Woord onderstrepen | Onderstreept het woord dat op de positie van de cursor staat |
Met het hulpprogramma voor de configuratie van iSeries-verbindingen kunt u verbindingen definiëren met alle iSeries-, eServer i5- of System i5-hosts die gebruikmaken van de functie voor gegevensoverdracht. De definities van de verbindingen worden opgeslagen in een NDC-bestand. Dit is een tekstbestand.
U kunt dit hulpprogramma zowel voor SNA- als voor TCP/IP-verbindingen gebruiken.
Raadpleeg Gegevensoverdracht voor meer informatie over gegevensoverdracht.
Om het hulpprogramma te gebruiken kiest u Start -> Programma's -> IBM Personal Communications -> Hulpprogramma's -> Configuratie iSeries-verbinding. In het afgebeelde iSeries-, eServer i5- of System i5-configuratievenster zijn de volgende opties beschikbaar:
Met deze parameter kunt u de bestandsextensie opgeven van een bestand op een iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem. In de lijst van extensies kunt u meerdere waarden opgeven. De codetabellen van bestanden met de opgegeven extensies worden overgezet van EBCDIC naar ASCII als het bestand wordt overgedragen van het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem naar de client. U kunt maximaal drie geldige tekens typen. Hierop zijn twee uitzonderingen van toepassing:
Met de parameter voor de cachegrootte geeft u het aantal kilobytes iSeries-, eServer i5- of System i5-gegevens op dat wordt opgeslagen in de read-ahead cachebuffer van de client. De standaardwaarde is 256 kB, het maximum 4 MB. De waarde nul geeft aan dat er geen cache wordt gebruikt. iSeries-, eServer i5- of System i5-gegevens worden opgehaald in porties die eerst lokaal in de cache van de client worden opgeslagen. De client haalt de gegevens vervolgens op uit de cache en kopieert deze naar de lokale bestemming. Het gebruik van deze read-ahead cache beperkt het aantal malen dat de client de verbinding met het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem moet activeren om gegevens op te halen.
Met het hulpprogramma Beheer gebruikersvoorkeuren kunt u de standaardinstellingen van een aantal configuratieparameters wijzigen.
Voor toegang tot het hulpprogramma Beheer gebruikersvoorkeuren, kiest u Programma's -> IBM Personal Communications -> Hulpprogramma's -> Gebruikersvoorkeuren uit het menu Start van Windows. In het venster Beheer gebruikersvoorkeuren wordt op de pagina Algemeen de basisinformatie over de Personal Communications-installatie afgebeeld. Op het tabblad Basisinfo kunt u de gebruikersvoorkeuren wijzigen.
Als bij de installatie van Personal Communications voor de locatie van de toepassingsgegevens de standaard persoonlijke directory is opgegeven, kunt u de standaardlocatie van de werkstationprofielen opgeven.
U kunt opgeven waar de macro- en scriptbestanden voor de emulator moeten worden opgeslagen. Dit is een gemeenschappelijke directory voor alle sessies.
Standaard worden de macro's opgeslagen in de directory voor de toepassingsgegevens zoals opgegeven bij de installatie van Personal Communications en is het veld voor de macro-/scriptlocatie blanco.
Als bij de installatie op uw systeem ondersteuning voor meerdere talen is ingesteld, wordt op de pagina Basisinfo een invoervak Taal voor de standaard gebruikersinterface afgebeeld. Als u het keuzerondje voor Voorkeurstaal Personal Communications-gebruikersinterface selecteert, wordt de keuzelijst geactiveerd waarin wordt aangegeven welke taal op dit moment wordt gebruikt. U kunt een willekeurige andere taal kiezen uit de lijst. Deze wordt vervolgens gebruikt voor de gebruikersinterface de eerstvolgende keer dat u Personal Communications opnieuw start. U kunt ook het keuzerondje voor Standaardlocale uit Landinstellingen selecteren als u dezelfde taal wilt gebruiken als is opgegeven in de Windows-instellingen. Verder kunt u ook het keuzerondje Voor elke toepassing venster voor taalselectie afbeelden selecteren. Er wordt dan een venster voor taalselectie afgebeeld telkens wanneer u een nieuwe toepassing uit de programmagroep van Personal Communications start.
Hier kunt u kiezen of het systeem om een bevestiging moet vragen wanneer het wil overschakelen naar een energiebesparende werkstand (standby of slaapstand). Als u de optie Standby/slaapstand niet bevestigen selecteert, laat Personal Communications het systeem zonder waarschuwing overschakelen op standby of naar de slaapstand, ook wanneer er sessies actief zijn. Standaard is deze optie niet geselecteerd.
Raadpleeg Energiebeheer voor meer informatie.
IBM biedt twee updatemethoden voor Personal Communications: MR's (Manufacturing Refreshes) en APAR's (Authorized Program Analysis Reports). MR's zijn volledige productupdates en APAR's zijn fixes voor afzonderlijke modules. U moet geen MR's of APAR's installeren zonder toestemming van de beheerder.
Met het hulpprogramma Productupdate kunt u controleren of er nieuwe MR's of APAR's beschikbaar zijn voor Personal Communications op het internet. Bij de instelling van het systeembeleid moet u gemachtigd zijn om deze optie te gebruiken. Als dit niet het geval is, wordt een foutbericht afgebeeld.
U zoekt als volgt naar MR's en APAR's:
Geef in dit groepsvak de gebruikte methode op voor de verbinding met het internet. Als u een verbinding tot stand brengt via een modem, selecteert u de naam van de inbelverbinding in de bijbehorende vervolgkeuzelijst.
Tijdens de installatie controleert Personal Communications automatisch de proxy-instellingen van de internetbrowser. WebUpdate wordt geconfigureerd voor het gebruik van deze instellingen. Als er geen proxy-instellingen beschikbaar zijn, zorgt Personal Communications ervoor dat de parameters standaard worden ingesteld op blanco (geen instellingen). Selecteer de optie Proxyverbinding gebruiken als u de proxy-instellingen voor WebUpdate wilt opgeven of wijzigen. Als u een HTTP-proxyserver gebruikt, kunt u de gebruikersnaam en het wachtwoord opgeven.
Als u een verbinding maakt via een socksserver, typ dan socks= voor het serveradres.
Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over APAR's en MR's en het gebruik van het hulpprogramma Productupdate.