Hulpprogramma's

Met Personal Communications wordt tevens een aantal hulpprogramma's meegeleverd. Enkele hiervan worden in dit hoofdstuk beschreven.

32-bit ODBC Administrator
Hiermee kunt u een ODBC-gegevensbron toevoegen, configureren of wissen.
Databasetoegang
Hiermee kunt u gegevens in de geselecteerde database lezen nadat u een gegevensbron hebt geconfigureerd.
CM Mouse
Dit hulpprogramma biedt intelligente en programmeerbare muisondersteuning voor 3270- en 5250-emulatiesessies.
Menubalk aanpassen
Met deze functie kunt u de inhoud van de menubalk van het sessievenster van Personal Communications wijzigen.
Meerdere sessies
Met deze functie kunt u meerdere hostsessies starten met behulp van een enkel pictogram.
ZipPrint
Hiermee kunt u memo's, agenda's en documenten van PROFS of OfficeVision en CMS-bestanden, XEDIT-werkruimten en 3270-sessieschermen afdrukken.
Macro converteren
Hiermee kunt u een bestaand Personal Communications-macrobestand converteren naar een XML- of VBScript-bestand.
PC Organizer
Hiermee kunt u Windows-toepassingen starten vanuit een 5250-beeldstationsessie.
Gegevensoverdracht
Hiermee kunt u gegevens overbrengen van het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem naar uw werkstation of van uw werkstation naar het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem (gegevensoverdracht op recordniveau).
Text Assist (alleen enkelbyte talen)
Hiermee kunt u documenten of korte berichten maken of bewerken.
Configuratie iSeries-verbinding
Verbindingen definiëren met alle iSeries-, eServer i5- of System i5-hosts die gebruikmaken van de functie voor gegevensoverdracht.
Beheer gebruikersvoorkeuren
Configuratie van enkele geavanceerde parameters.
Productupdate
Met dit hulpprogramma kunt u MR's (Manufacturing Refreshes) en APAR's (Authorized Program Analysis Reports) testen en toepassen.

32-bit ODBC Administrator

ODBC is een programmeerinterface waarmee toepassingen toegang kunnen krijgen tot systemen voor gegevensbeheer die gebruikmaken van SQL (Structured Query Language) als standaardtaal voor het lezen en bewerken van de gegevens.

Volg de onderstaande stappen voor de configuratie van de ODBC-gegevensbron voor Personal Communications:

  1. Kies het pictogram 32-bit ODBC Administrator in het Configuratiescherm van Windows. Het venster Data Sources wordt afgebeeld.
  2. Selecteer de gegevensbron IBM DB2 ODBC-stuurprogramma in de lijst van gegevensbronnen. Kies Finish.
  3. Kies Add Database. De Personal Communications Add Database SmartGuide wordt afgebeeld. Deze leidt u door de installatieprocedure.
  4. Selecteer het keuzerondje Manually Configure a Connection to a DB2 Database.
  5. Geef de informatie op voor het instellen van de gegevensbron door Next te kiezen.
  6. Als u klaar bent met het invoeren van de gegevens, kiest u Done.
  7. U wordt gevraagd of u de verbinding wilt testen. Kies OK om de verbinding te testen.
Opmerkingen:
  1. Personal Communications maakt gebruik van 32 bits-stuurprogramma's voor ODBC. Toepassingen als Lotus 1-2-3 uit het pakket Lotus SmartSuite 96 vereisen een 16 bits-stuurprogramma en functioneren niet met Personal Communications. U wordt aangeraden contact op te nemen met uw leverancier voor een versie met 32 bits-stuurprogramma's (bijvoorbeeld de Lotus 1-2-3-versie die deel uitmaakt van Lotus SmartSuite 97).
  2. Als u de DB2-verbinding wilt testen, moet u het SNA-subsysteem van Personal Communications starten met de juiste configuratiegegevens. Deze configuratiegegevens moeten definities bevatten voor de volgende onderdelen:

    U moet wellicht ook een definitie van een lokale LU 6.2 opnemen.

    Raadpleeg voor meer informatie over bewerkingen voor SNA-knooppunten de handleiding Administrator's Guide and Reference.

Hier volgt een voorbeeld van een ACG-bestand:

NODE=(
     ANYNET_SUPPORT=ANYNET_SUPPORTED
	  CP_ALIAS=YOURALIAS
     DEFAULT_PREFERENCE=NATIVE
     DISCOVERY_SUPPORT=DISCOVERY_CLIENT
     FQ_CP_NAME=YOUR.CPNAME              * <---- Wijzig CP-naam
     NODE_ID=05D00000
     NODE_TYPE=END_NODE
     REGISTER_WITH_CDS=1
     REGISTER_WITH_NN=1
)
PORT=(
     PORT_NAME=LAN0_04
     DLC_DATA=00000000000004
     DLC_NAME=LAN
     IMPLICIT_CP_CP_SESS_SUPPORT=1
     IMPLICIT_DEACT_TIMER=0
     IMPLICIT_DSPU_SERVICES=NONE
     IMPLICIT_HPR_SUPPORT=1
     IMPLICIT_LIMITED_RESOURCE=NO
     LINK_STATION_ROLE=NEGOTIABLE
     MAX_IFRM_RCVD=8
     MAX_RCV_BTU_SIZE=32767
     PORT_TYPE=SATF
     PORT_LAN_SPECIFIC_DATA=(
          ACK_DELAY=100
          ACK_TIMEOUT=3000
          ADAPTER_NUMBER=0
          BUSY_STATE_TIMEOUT=60
          IDLE_STATE_TIMEOUT=30
          LOCAL_SAP=04
          MAX_RETRY=10
          OUTSTANDING_TRANSMITS=16
          POLL_TIMEOUT=3000
          POOL_SIZE=16
          REJECT_RESPONSE_TIMEOUT=30
          TEST_RETRY_INTERVAL=8
          TEST_RETRY_LIMIT=5
          XID_RETRY_INTERVAL=8
          XID_RETRY_LIMIT=5
     )
)
LINK_STATION=(
     LS_NAME=LINKMVS
     ACTIVATE_AT_STARTUP=1
     ADJACENT_NODE_TYPE=APPN_NODE
     AUTO_ACTIVATE_SUPPORT=0
     CP_CP_SESS_SUPPORT=1
     DEFAULT_NN_SERVER=0
     DEST_ADDRESS=40000000000000      * <---- Wijzig bestemming
     DISABLE_REMOTE_ACT=0
     DSPU_SERVICES=NONE
     ETHERNET_FORMAT=0
     HPR_SUPPORT=0
     LIMITED_RESOURCE=NO
     LINK_DEACT_TIMER=0
     LINK_STATION_ROLE=USE_ADAPTER_DEFAULTS
     MAX_IFRM_RCVD=0
     MAX_SEND_BTU_SIZE=32767
     NODE_ID=05D00000
     PORT_NAME=LAN0_04
     SOLICIT_SSCP_SESSION=0
     TARGET_PACING_COUNT=1
     TG_NUMBER=0
     USE_DEFAULT_TG_CHARS=1
)
DLUR_DEFAULTS=(
     DEFAULT_PU_NAME=YOURALIAS    * <---- Wijzig uw naam
     DLUS_RETRY_LIMIT=3
     DLUS_RETRY_TIMEOUT=5
)
LOCAL_LU=(
     LU_NAME=LUNAME               * <---- Wijzig LU-naam
     LU_ALIAS=LUALIAS             * <---- Wijzig LU-alias
     LU_SESSION_LIMIT=0
     NAU_ADDRESS=0
     ROUTE_TO_CLIENT=0
     DEFAULT_POOL=0
)
.
.
.
PARTNER_LU=(
     FQ_PLU_NAME=PARTNER.LUNAME       * <---- Wijzig Partnergegevens
     CONV_SECURITY_VERIFICATION=1
     MAX_MC_LL_SEND_SIZE=32767
     PARALLEL_SESSION_SUPPORT=1
     PARTNER_LU_ALIAS=RBNAME          * <---- Wijzig Locatie/RDBNAME
     PREFERENCE=USE_DEFAULT_PREFERENCE
)
CPIC_SIDE_INFO=(
     SYM_DEST_NAME=DB2CPIC            * <---- Nodig voor ODBC-configuratie
     CONVERSATION_SECURITY_TYPE=NONE
     MODE_NAME=IBMRDB
     PARTNER_LU_NAME=USIBMNM.NM57DB21 * <---- Wijzig Partnergegevens
     TP_NAME=DB2DRDA                  * <---- Wijzig TP-naam (via DB2)
     TP_NAME_TYPE=APPLICATION_TP
)
VERIFY=(
     CFG_MODIFICATION_LEVEL=13
     CFG_VERSION_LEVEL=1
)

Databasetoegang

Met de functie Databasetoegang kunt u toegang krijgen tot host- en PC-databases en gegevens ophalen met behulp van ODBC-stuurprogramma's. Als u per venster de voorwaarden voor gegevenstoegang opgeeft, kan de gewenste query automatisch worden gemaakt.

Met behulp van de functie Databasetoegang kunt u:

Voordat u Databasetoegang gebruikt, is het raadzaam om de Help-informatie te lezen over:

CM Mouse

Met behulp van CM Mouse kunnen gebruikers van hosttoepassingen met eenvoudige muisbewerkingen hostfuncties uitvoeren. Als u met een CM Mouse op een hotspot in het hostscherm klikt, wordt er in de hosttoepassing een functie uitgevoerd die afhangt van de context. Hotspots zijn geen vaste functies op vaste plaatsen, maar veranderen dynamisch voor de verschillende vensters van een hosttoepassing.

De voorgrondmenu's van CM Mouse bieden u rechtstreeks toegang tot een lijst met opties en functies die u op eenvoudige wijze met de muis kunt uitvoeren. Met behulp van de menu's kunt u eenvoudig opdrachten kiezen en veelgebruikte handelingen automatiseren. Met de CM Mouse-editor voor voorgrondmenu's kunt u snel en gemakkelijk de menu's aanpassen aan uw wensen en nieuwe menu's maken.

De scripttaal van CM Mouse is krachtig genoeg om ingewikkelde hostbewerkingen te automatiseren, maar zo eenvoudig dat ook nieuwe gebruikers er direct mee kunnen werken.

Raadpleeg de publicatie CM Mouse Support User's Guide and Reference voor meer informatie.

Menubalk aanpassen

Met deze functie kunt u items verwijderen van de menubalk van het sessievenster van Personal Communications. De wijzigingen hebben alleen betrekking op de huidige sessie, zodat u in elke sessie andere wijzigingen kunt aanbrengen. U kunt drie soorten items verwijderen:

De wijzigingen van de menubalk worden opgeslagen in het opgegeven werkstationprofiel en worden de eerstvolgende keer dat u de sessie start actief.

Opmerking:
Als u een aangepast menu hebt gemaakt in een vorige versie van Personal Communications, moet u de instellingen wellicht opnieuw configureren om deze af te stemmen op de nieuwe menustructuur in Versie 5.9.

Meerdere sessies

Met het batchprogramma van Personal Communications kunt u meerdere hostsessies starten met behulp van één pictogram. De benodigde opdrachten worden opgegeven in een batchbestand (BCH-bestand). In een batchbestand kunt u andere programma's opnemen, die met behulp van de DDE- of EHLLAPI-interface met een hostsessie kunnen communiceren.

ZipPrint

ZipPrint is een 3270-functie waarmee u memo's, agenda's en documenten van PROFS of OfficeVision en CMS-bestanden, XEDIT-werkruimten en 3270-sessieschermen kunt afdrukken. Standaard wordt de voor de hostsessie ingestelde Windows-printer gebruikt, maar u kunt desgewenst een andere printer opgeven.

U hoeft ZipPrint niet te installeren. U kunt ZipPrint meteen starten. Het programma wordt automatisch toegevoegd aan de menubalk van de sessies waarvoor het is gedefinieerd, zodat u het op dezelfde manier kunt gebruiken als alle andere menuopties. U moet ZipPrint starten voordat u de sessie start waarin u dit hulpprogramma wilt gebruiken.

ZipPrint heeft de DDE/EHLLAPI nodig. U moet er daarom voor zorgen dat de DDE/EHLLAPI geactiveerd is voor de sessies waarin u ZipPrint wilt gebruiken. (De DDE/EHLLAPI is standaard geactiveerd, maar kan zijn uitgeschakeld.)

Zie ZipPrint (3270-emulatie) voor meer informatie over ZipPrint.

Technische informatie over bestandsoverdracht

ZipPrint gebruikt de functie voor bestandsoverdracht van Personal Communications voor het afdrukken van VM/CMS-berichten en -bestanden. Om deze functie correct te laten werken, moet u voor 3270-bestandsoverdracht het hosttype VM/CMS selecteren.

In het emulatorsessievenster doet u dit via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Overdracht. Op de pagina Instellingen Bestandsoverdracht -> Algemeen selecteert u VM/CMS in de vervolgkeuzelijst Hosttype.

Op trage communicatielijnen, zoals bepaalde IBM Global Network- of Home3270-verbindingen, of bij gebruik van een grote pakket- of blokgrootte kan er een time-out optreden bij de bestandsoverdracht. In dat geval dient u de timeoutwaarde te verhogen. U wijzigt de timeoutwaarde als volgt:

  1. In het sessiemenu kiest u Bewerken -> Voorkeuren -> Overdracht.
  2. Op de pagina Algemeen wijzigt u de waarde voor Time-out bestandsoverdracht in 150 seconden.

Macro converteren

Met het hulpprogramma Macro converteren kunt u een bestaand macrobestand van Personal Communications converteren naar een XML- of een VBScript-bestand.

Opmerking:
Macro's die zijn geconverteerd naar XML, zijn bedoeld voor gebruik in Host On-Demand en werken niet in emulatiesessies van Personal Communications. Met de HOD Macro Manager kunt u een geconverteerde Personal Communications-macro importeren in Host On-Demand. Deze geconverteerde macro's worden niet afgebeeld in de lijst van beschikbare macro's voor Personal Communications.

Als u het conversieprogramma wilt gebruiken, klikt u op IBM Personal Communications -> Hulpprogramma's -> Macro converteren.

Ga als volgt te werk om een bestaande macro te converteren naar XML of VBScript:

  1. Kies de naam van de bestaande macro die moet worden geconverteerd.
    Opmerking:
    Deze macro moet zich bevinden in de directory voor toepassingsgegevens die is opgegeven bij de installatie.
  2. Selecteer VBScript of XML als het type bestand waarnaar de macro moet worden geconverteerd.
  3. Klik op Converteren.
  4. Geef een naam op voor het nieuwe XML- of VBScript-bestand of accepteer de gegenereerde naam. De bestandsextensie wordt automatisch toegevoegd.
    Opmerking:
    Wanneer u een geconverteerde XML-macro opslaat, kunt u zelf kiezen welke locatie u daarvoor gebruikt. De locatie van de geconverteerde VBScript-macro's kunt u beter niet wijzigen.
  5. Klik op Opslaan.
  6. Herhaal deze procedure als u nog een macro wilt converteren of kies Afsluiten om deze toepassing te beëindigen.

PC Organizer

U kunt PC Organizer gebruiken om DOS-opdrachten en -toepassingen of Windows-toepassingen vanuit een 5250-beeldstationsessie uit te voeren.

Vereisten iSeries, eServer i5 en System i5

Voordat u PC Organizer kunt gebruiken, moet een van de volgende programma's op het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem zijn geïnstalleerd:

PC Organizer starten

Voer de volgende stappen uit om PC Organizer te starten:

  1. Start een 5250-beeldstationsessie.
  2. Meld u aan bij het iSeries-, eServer i5 - of System i5-systeem.
  3. Geef op de opdrachtregel van het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem de volgende opdracht op:
      STRPCO PCTA(*NO)
    Opmerking:
    Personal Communications ondersteunt de functie PC Text Assist (PCTA) niet. Daarom moet u *NO opgeven bij deze parameter. Zelfs als u *YES opgeeft, kunt u de functie PC Text Assist die deel uitmaakt van de functie PC Support/400-Werkstation niet gebruiken.

U kunt nu de functies van de PC Organizer in een 5250-beeldstationsessie gebruiken als u een van de volgende methoden kiest:

PCO.EXE-bericht

Als u een opdracht of een programma op een werkstation uitvoert, kunt u een bericht ontvangen dat het programma PCO.EXE niet actief is. U kunt dit bericht negeren, omdat het voor PC400 niet noodzakelijk is dat PCO.EXE actief is.

Sleutelwoord STRPCCMD_PAUSE

U kunt het sleutelwoord STRPCCMD_PAUSE in het WS-profiel gebruiken om de wachttijd te bepalen nadat u met STRPCCMD een opdracht hebt opgeven. Voor het sleutelwoord kunt u de waarde Y (Ja) of N (Nee) opgeven.

Als de functie STRPCCMD_PAUSE niet is ingeschakeld (de waarde is N), verwerkt PC5250 de opdracht STRPCCMD op de onderstaande wijze. Dit is de standaardprocedure.

Als de functie STRPCCMD_PAUSE is ingeschakeld, zet PC5250 de gegeven opdracht STRPCCMD om naar een DOS-opdracht of Windows-toepassing PC5250 wacht totdat de opdracht/toepassing is voltooid voordat aan de iSeries-, eServer i5- of System i5-host wordt meegedeeld dat de taak is uitgevoerd.

Opmerkingen:
  1. Voor DOS-opdrachten is het niet mogelijk om ervoor te zorgen dat Druk op een toets om door te gaan... in het DOS-venster wordt afgebeeld of dat PC5250 wacht tot de gebruiker op een toets drukt voordat aan de iSeries-, eServer i5- of System i5-host wordt meegedeeld dat de taak is uitgevoerd.
  2. Tijdens het wachten op de voltooiing van de opdracht/toepassing wordt de gegevensruimte (het beeldscherm) leeggemaakt.

Help opvragen

Raadpleeg de online Help voor meer informatie over het gebruik van PC Organizer.

  1. Kies Procedures uit het menu Help.
  2. Als het Help-venster wordt afgebeeld, zoek dan naar organizer of blader naar PC Organizer (5250-sessie).

    Selecteer de gewenste onderwerpen in de lijst om informatie af te beelden over het starten en gebruiken van PC Organizer, over het menu en over de verschillen tussen PC Organizer voor PC400 en voor PC Support/400.

Gegevensoverdracht

Met de functie voor gegevensoverdracht van Personal Communications kunt u gegevens uitwisselen tussen een iSeries-systeem en uw werkstation. Als u deze functie wilt gebruiken, klikt u op het pictogram Gegevensoverdracht.

Het overbrengen van gegevens verschilt sterk van het overbrengen van bestanden. Informatie over bestandsoverdracht vindt u in Bestanden overbrengen.

Vereisten

Voordat gegevens met behulp van Personal Communications kunnen worden overgebracht, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

Er zijn twee typen gegevensoverdracht die verband houden met de richting van de overdracht.

Gegevens verzenden
Hierbij worden gegevens van uw werkstation verzonden naar het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem. U kunt gegevens verzenden naar de volgende bestemmingen:
Opmerking:
U kunt geen gegevens verzenden van een bestand op een werkstation naar een logisch iSeries-, eServer i5- of System i5-bestand.
Gegevens ontvangen
Hierbij worden gegevens van het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem verzonden naar uw werkstation.

Bij de ontvangst van gegevens van de host kunt u opgeven welke gegevens u wilt ontvangen en wat de bestemming van deze gegevens moet zijn.

U kunt de volgende gegevens ontvangen:

U kunt de volgende bestemmingen opgeven:

Daarnaast kunt u voor numerieke gegevens een indeling opgeven.

Raadpleeg voor meer informatie over gegevensoverdracht de handleiding Emulator User's Reference.

Text Assist (alleen enkelbyte talen)

Met Personal Communications kunt u voor het bewerken van teksten beschikken over de verbeterde functies van Text Assist, die deel uitmaken van de tekstverwerkingsfuncties van OfficeVision/400. U kunt hiermee documenten en korte berichten maken of bewerken.

U start Text Assist door WRKDUC te typen op de opdrachtregel van een 5250-systeem.

Raadpleeg de documentatie van OfficeVision/400 voor meer informatie over het gebruik van Text Assist.

De functie Text Assist in Personal Communications is een Controller Text Assist. Deze verschilt in een aantal opzichten van PC Text Assist, die beschikbaar is als voorziening voor PC Support/400-werkstations.

Controller Text Assist in Personal Communications bevat de volgende functies die niet beschikbaar zijn bij PC Text Assist:

In Controller Text Assist in Personal Communications is echter de functie voor bewerkingen in meerdere kolommen van PC Text Assist niet beschikbaar.

Opmerking:
Voor Text Assist zijn de functies van de Alt-toets toegewezen aan de Ctrl-toets om conflicten met de bestaande emulatorfuncties te vermijden. De toets voor woordonderstreping is bijvoorbeeld Ctrl+W in plaats van Alt+W. Veel van deze functies kunt u opnieuw toewijzen aan de Alt-toets zonder dat conflicten met de emulatorfuncties optreden.

Als u in het programma OfficeVision/400 met behulp van de cursor een lijn trekt, is de stand Invoegen niet beschikbaar.

Softwarevereisten iSeries, eServer i5 en System i5

Om de functies van Text Assist te kunnen gebruiken, moet op het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem een van de volgende programma's zijn geïnstalleerd:

Toetsfuncties van Text Assist

Hier volgt een overzicht van toetsfuncties van OfficeVision/400 Text Assist:

Functie Beschrijving
Naar begin regel Verplaatst de cursor naar het begin van de regel
Begin vet Begin gebruik vette tekens
Naar einde pagina Verplaatst de cursor naar het einde van de pagina
Terugloop Beëindigt een regel tekst of een alinea door een terugloop in te voegen
Tekst centreren Centreert een regel tekst
Naar einde regel Verplaatst de cursor naar het einde van de regel
Einde pagina Voegt de stuurcode pagina-einde in op de positie van de cursor
Einde vet/onderstrepen Beëindigt het gebruik van vette of onderstreepte tekens
Halve regel omlaag Begint met subscript of beëindigt superscript
Halve regel omhoog Begint met superscript of beëindigt subscript
Symbool invoegen Beeldt een menu met speciale tekens af
Stuurcodes afbeelden Beeldt de verborgen stuurcodes af
Volgende kolom Voegt de instructie volgende kolom in op de positie van de cursor
Naar volgende stopcode Verplaatst de cursor naar de volgende stopcode
Vaste spatie terug Verplaatst de cursor een spatie naar links
Vaste spatie Voegt een vaste spatie in om woorden op een regel bijeen te houden
Vaste tab Laat een tekstblok inspringen
Stopcode Voegt een stopcode in op de positie van de cursor
Naar begin pagina Verplaatst de cursor naar het begin van de pagina
Begin onderstrepen Begint met onderstrepen van de tekst
Woord onderstrepen Onderstreept het woord dat op de positie van de cursor staat

Hulpprogramma voor configuratie iSeries-verbinding

Met het hulpprogramma voor de configuratie van iSeries-verbindingen kunt u verbindingen definiëren met alle iSeries-, eServer i5- of System i5-hosts die gebruikmaken van de functie voor gegevensoverdracht. De definities van de verbindingen worden opgeslagen in een NDC-bestand. Dit is een tekstbestand.

U kunt dit hulpprogramma zowel voor SNA- als voor TCP/IP-verbindingen gebruiken.

Raadpleeg Gegevensoverdracht voor meer informatie over gegevensoverdracht.

Om het hulpprogramma te gebruiken kiest u Start -> Programma's -> IBM Personal Communications -> Hulpprogramma's -> Configuratie iSeries-verbinding. In het afgebeelde iSeries-, eServer i5- of System i5-configuratievenster zijn de volgende opties beschikbaar:

IP-hostverbindingen afbeelden
Kies deze optie als u IP-verbindingen met de iSeries-, eServer i5- of System i5-host wilt bekijken en/of configureren.
SNA-hostverbindingen afbeelden
Kies deze optie als u SNA-verbindingen met de iSeries-, eServer i5- of System i5-host wilt bekijken en/of configureren.
Toevoegen
Selecteer het type verbinding (IP of SNA) en kies Toevoegen. Geef de hostnaam en de alias op in het afgebeelde venster.
Wijzigen
Selecteer een hostnaam in de lijst van verbindingen en kies Wijzigen om de hostnaam en de alias in het NDC-bestand te wijzigen.
Verwijderen
Selecteer een hostnaam in de lijst van verbindingen en kies Verwijderen als u een verbindingsdefinitie uit het NDC-bestand wilt verwijderen.
Opmerking:
Als u een verbinding wilt uitschakelen maar de definitie ervan wilt behouden, moet u het vinkje uit het selectievakje naast de betreffende naam in de lijst van verbindingen verwijderen.
ACG-bestand selecteren
Kies deze optie als u een bijbehorend SNA-configuratiebestand (ACG-bestand) wilt selecteren.
Algemene parameters
Kies deze optie als u de Lijst met extensies en/of de Cachegrootte wilt wijzigen.

Lijst met extensies

Met deze parameter kunt u de bestandsextensie opgeven van een bestand op een iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem. In de lijst van extensies kunt u meerdere waarden opgeven. De codetabellen van bestanden met de opgegeven extensies worden overgezet van EBCDIC naar ASCII als het bestand wordt overgedragen van het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem naar de client. U kunt maximaal drie geldige tekens typen. Hierop zijn twee uitzonderingen van toepassing:

Cachegrootte

Met de parameter voor de cachegrootte geeft u het aantal kilobytes iSeries-, eServer i5- of System i5-gegevens op dat wordt opgeslagen in de read-ahead cachebuffer van de client. De standaardwaarde is 256 kB, het maximum 4 MB. De waarde nul geeft aan dat er geen cache wordt gebruikt. iSeries-, eServer i5- of System i5-gegevens worden opgehaald in porties die eerst lokaal in de cache van de client worden opgeslagen. De client haalt de gegevens vervolgens op uit de cache en kopieert deze naar de lokale bestemming. Het gebruik van deze read-ahead cache beperkt het aantal malen dat de client de verbinding met het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem moet activeren om gegevens op te halen.

Beheer gebruikersvoorkeuren

Met het hulpprogramma Beheer gebruikersvoorkeuren kunt u de standaardinstellingen van een aantal configuratieparameters wijzigen.

Opmerkingen:
  1. Voorkeuren die zijn ingesteld met het hulpprogramma Beheer gebruikersvoorkeuren, zijn van kracht wanneer u zich op het werkstation aanmeldt met hetzelfde gebruikers-ID. Ze gelden voor alle sessies die u start terwijl u bent aangemeld.
  2. Voorkeuren die in een sessie zijn ingesteld via het menu Bewerken, zijn van toepassing op alle sessies die gebruikmaken van het werkstationprofiel dat is gemaakt of gewijzigd gedurende die sessie. Als dit sessieprofiel opnieuw wordt gebruikt, worden de nieuwe voorkeuren gebruikt, ongeacht het gebruikers-ID op dat moment.
  3. Een van de voordelen van het hulpprogramma Beheer gebruikersvoorkeuren is de mogelijkheid om een directory op te geven waarin uw profielen worden opgeslagen. Hiermee kunt u de verwerkingsomgeving aan uw eigen wensen aanpassen.

Voor toegang tot het hulpprogramma Beheer gebruikersvoorkeuren, kiest u Programma's -> IBM Personal Communications -> Hulpprogramma's -> Gebruikersvoorkeuren uit het menu Start van Windows. In het venster Beheer gebruikersvoorkeuren wordt op de pagina Algemeen de basisinformatie over de Personal Communications-installatie afgebeeld. Op het tabblad Basisinfo kunt u de gebruikersvoorkeuren wijzigen.

Locatie emulatorprofiel

Als bij de installatie van Personal Communications voor de locatie van de toepassingsgegevens de standaard persoonlijke directory is opgegeven, kunt u de standaardlocatie van de werkstationprofielen opgeven.

Locaties van macro's en scripts

U kunt opgeven waar de macro- en scriptbestanden voor de emulator moeten worden opgeslagen. Dit is een gemeenschappelijke directory voor alle sessies.

Standaard worden de macro's opgeslagen in de directory voor de toepassingsgegevens zoals opgegeven bij de installatie van Personal Communications en is het veld voor de macro-/scriptlocatie blanco.

Taal gebruikersinterface

Als bij de installatie op uw systeem ondersteuning voor meerdere talen is ingesteld, wordt op de pagina Basisinfo een invoervak Taal voor de standaard gebruikersinterface afgebeeld. Als u het keuzerondje voor Voorkeurstaal Personal Communications-gebruikersinterface selecteert, wordt de keuzelijst geactiveerd waarin wordt aangegeven welke taal op dit moment wordt gebruikt. U kunt een willekeurige andere taal kiezen uit de lijst. Deze wordt vervolgens gebruikt voor de gebruikersinterface de eerstvolgende keer dat u Personal Communications opnieuw start. U kunt ook het keuzerondje voor Standaardlocale uit Landinstellingen selecteren als u dezelfde taal wilt gebruiken als is opgegeven in de Windows-instellingen. Verder kunt u ook het keuzerondje Voor elke toepassing venster voor taalselectie afbeelden selecteren. Er wordt dan een venster voor taalselectie afgebeeld telkens wanneer u een nieuwe toepassing uit de programmagroep van Personal Communications start.

Opmerking:
Het is mogelijk dat u een waarschuwingsbericht ontvangt als de door u gekozen taal niet compatibel is met de huidige codetabel van uw systeem. U kunt dit bericht negeren als u van plan bent het systeem opnieuw op te starten en een nieuwe systeemlocale te selecteren met een compatibele codetabel.

Standby/slaapstand

Hier kunt u kiezen of het systeem om een bevestiging moet vragen wanneer het wil overschakelen naar een energiebesparende werkstand (standby of slaapstand). Als u de optie Standby/slaapstand niet bevestigen selecteert, laat Personal Communications het systeem zonder waarschuwing overschakelen op standby of naar de slaapstand, ook wanneer er sessies actief zijn. Standaard is deze optie niet geselecteerd.

Raadpleeg Energiebeheer voor meer informatie.

Productupdate

IBM biedt twee updatemethoden voor Personal Communications: MR's (Manufacturing Refreshes) en APAR's (Authorized Program Analysis Reports). MR's zijn volledige productupdates en APAR's zijn fixes voor afzonderlijke modules. U moet geen MR's of APAR's installeren zonder toestemming van de beheerder.

Met het hulpprogramma Productupdate kunt u controleren of er nieuwe MR's of APAR's beschikbaar zijn voor Personal Communications op het internet. Bij de instelling van het systeembeleid moet u gemachtigd zijn om deze optie te gebruiken. Als dit niet het geval is, wordt een foutbericht afgebeeld.

U zoekt als volgt naar MR's en APAR's:

  1. In het menu Start van Windows kiest u IBM Personal Communications -> Hulpprogramma's voor beheer en probleembepaling.
  2. Kies Productupdate.
  3. Als de systeemfunctie WebUpdate na de installatie van Personal Communications nog niet eerder is uitgevoerd, wordt automatisch een configuratiescherm afgebeeld. Anders klikt u op Verbinding configureren om de volgende opties in te stellen:
  4. Kies OK om het configuratiescherm te sluiten.
  5. Met de optie MR's opzoeken start u WebUpdate en wordt nagegaan of er MR's beschikbaar zijn. Als er Manufacturing Refreshes beschikbaar zijn, wordt u gevraagd om naar de registratiewebpagina's voor de CSD's te gaan. Als u zich niet bij deze webpagina's registreert, wordt de wijzigingsdatum die gebruikt wordt bij de automatische CSD-controle niet bijgewerkt in het register. Als er geen MR's beschikbaar zijn voor de huidige versie wordt u hiervan op de hoogte gesteld in een voorgrondvenster.
  6. Het APAR-gedeelte van het hulpprogramma is voornamelijk bedoeld voor beheerders van Personal Communications. Overleg eerst met de beheerder voordat u een APAR test, definitief aanbrengt of verwijdert. U moet een verbinding hebben met het internet om APAR's te kunnen testen of definitief aan te brengen.

Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over APAR's en MR's en het gebruik van het hulpprogramma Productupdate.